De uitslag van de Britse parlementsverkiezingen maakt door het districtenstelsel (‘winner takes it all’) een krachtsvergelijking tussen de politieke partijen vrijwel onmogelijk. Hoewel de verschuiving van tientallen extra parlementszetels alom wordt omschreven als een ‘grootse overwinning’ voor de Conservatieven, is hun winst op landelijke procentuele schaal amper één procentje.
Ten opzichte van de stembusuitslag van 2017 stijgen de Tories met ongeveer een half miljoen extra stemmners van 42,4 naar 43,6 procent. Eigenlijk heeft Boris Johnson geen stemmenwinst geboekt, maar hebben de Conservatieven zételwinst geboekt. En eigenlijk hebben de Conbservatieven zetelwinst geboekt omdat Labour en Corbyn door hun impopulariteit stémmenverlies leden.
Anti-EU fanaticus Nigel Farage was er als de kippen bij om die Tory-overwinning deels op zijn eigen conto te schrijven: zijn Brexitpartij deed in bijna 400 van de 650 kiesdistricten nÃet mee met een eigen kandidaat. In districten waar de Brexitparty wél meedeed, behaalde hun kandidaten soms 15 of 20 procent van de lokale stemmen (maar werden desondanks nergens de grootste en behaalde nergens een zetel.)
De Brexitparty-stemmen gingen ten koste van zowel Labour als Conservatieven, zo blijkt uit eerste cijfers-per-district. Op landelijke schaal behaalde Brexit met zo’n 650.000 stemmen een kleine 2 procent. Farage gebruikt de omkering nu als logica: daar waar Brexit niet meedeed konden echte Brexiteers alleen op Boris Johnson stemmen en hielpen hem aan een hernieuwd premierschap.
Voor de stembusuitslag van Labour geldt eigenlijk het tegenovergestelde. Labour zakte ten opzichte van 2017 (amper twee jaar geleden) van 40,0 naar 32,2 procent, een gróót verlies van bijna acht procent. Ook bij de verkiezingen in 2017 was Corbyn partijleider. De nu behaalde 32,2 procent wijkt niet zo veel af van de 35 procent waarmee Labour in 2005 de verkiezingen wón. Bovendien is die 32,2 procent hóger dan de resultaten van 2010 en 2015.
Maar doordat de Conservatieven hun eigen achterban vasthielden en Labour veel stemmers kwijtraakte, passeerden in enkele tientallen districten waar de onderlinge verschillen in 2017 kléin waren, de Conservatieven nu de Labourkandidaat en pakten de eerste (en enige !) plaats.
Voor de Liberaal-Democraten zijn de druiven nog zuurder: de LibDems wonnen op landelijke procentuele schaal behoorlijk. Ze stegen vier procent van 7,4 naar 11,5 procent van de behaalde stemmen. Maar daarmee werden ze desondanks in één district waar ze leidend wáren, niet de grootste: uitgerekend in het district van partijleider Jo Swinson. De winst van de SNP in Schotland, met 13 extra zetels nu op 48, gaat merendeels ten koste van Conservatieve districten maar ook van enkele Labourzetels.
Voor een precieze vergelijking van de onderlinge Britse politieke krachtsverhoudingen is het wachten op de publicatie van de stembusuitslagen per district, in vergelijking met twee jaar geleden, doorgerekend naar landelijke procentuele schaal. Maar nu al is duidelijk dat het niet zo is dat miljoenen Britse Labourstemmers zijn overlopen naar de Conservatieven. De acht procent niet-Labourstemmers zijn deels uitgeweken naar de SNP, deels naar de LibDems, stemden in ‘Labourland’ ook op Brexit, en óók op Conservatieven.

