Biobrandstoffen worden beschouwd als alternatief voor fossiele brandstoffen, om daarmee de broeikasgassen van de transport- en vervoerssector te verminderen. In de afgelopen tien jaar heeft de EU ongeveer 430 miljoen euro subsidie uitgegeven aan het stimuleren van biobrandstoffen. Maar de overgang van laboratoriumonderzoek naar daadwerkelijke productie-op-grote-schaal is niet van de grond gekomen en kan nog vele jaren duren.
Een van de verwachtingen was lange tijd dat natuurlijke producten uit de land- en tuinbouw grondstoffen zouden kunnen zijn voor nieuwe, natuurvriendelijke brandstoffen. Vooralsnog worden de nu geproduceerde biobrandstoffen vooral gebruikt als bijmenging van reguliere benzine, diesel en kerosine, en dan alleen nog in zeer beperkte mate.
Bovendien beperkt de beschikbaarheid van geschikte biomassa de inzet van biobrandstoffen. De Europese Commissie verwachtte dat het stimuleren en het gebruik van biobrandstoffen de energieonafhankelijkheid van de EU zou vergroten. Maar in werkelijkheid worden veel grondstoffen vooral geïmporteerd uit derde landen (bijv. van import van gebruikte bak- en braadolie uit China, het Verenigd Koninkrijk, Maleisië en Indonesië).
De Europese Rekenkamer concludeert dat het Europese beleid er niet in slaagt de productie en investeringen in deze nieuwe sector op gang te brengen. Zo zou de luchtvaart een grootverbruiker van biobrandstof kunnen worden, waarover de EU al besluiten heeft genomen. Hierin werd het vereiste niveau van duurzame vliegtuigbrandstof voor 2030 vastgesteld op 2,76 miljoen ton olie-equivalent terwijl de huidige potentiële productiecapaciteit nauwelijks een tiende van die hoeveelheid is.
De toekomst van biobrandstoffen in het wegvervoer is de afgelopen jaren ook onduidelijk geworden. De grote inzet op de overstap naar elektrische auto’s, in combinatie met beëindiging van nieuwe benzine- en dieselauto’s in 2035, zou ook kunnen betekenen dat biobrandstoffen nauwelijks grootschalig kunnen worden toegepast in het EU-wegvervoer.

