De protesten in Iran braken uit in de laatste week van 2025, nadat de woede over de slechte economische situatie breed oplaaide. Wat begon als sociaal-economisch protest, veranderde binnen enkele dagen in open verzet tegen de geestelijk leiders van het land.
Europese diplomaten en politici reageerden met scherpe woorden op het geweld tegen demonstranten. Zij stelden dat het vreedzaam uiten van onvrede een recht is en dat buitensporig geweld tegen betogers onaanvaardbaar is.
Voorzitter Roberta Metsola van het Europees Parlement sprak zich herhaaldelijk uit ter ondersteuning van de demonstranten. Zij prees het “dappere Iraanse volk” en verklaarde dat de EU-landen hun stem horen. Volgens haar is duidelijk dat er in Iran sprake is van verandering.
De uitspraken van Metsola leidden tot diplomatieke wrijving met de Iraanse vertegenwoordiging bij de Europese Unie. Vanuit Teheran werd haar steun aan de protesten bestempeld als inmenging, waarop zij publiekelijk haar standpunt verdedigde en wees op politieke vrijheden in Europa.
Ook andere Europese politici sloten zich aan bij de kritiek. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken benadrukte dat geweld tegen vreedzame demonstranten niet te rechtvaardigen is en riep de Iraanse autoriteiten op hun internationale verplichtingen na te komen.
Buitenland-commissaris Kaja Kallas stelde dat beelden uit Iran wijzen op een disproportionele en hardhandige reactie van de veiligheidsdiensten. Zij verklaarde dat elk geweld tegen vreedzame demonstranten onaanvaardbaar is en koppelde dit aan het afsluiten van internet en telecommunicatie.
In meerdere berichten wordt melding gemaakt van doden en grote aantallen arrestaties. Tegelijk wordt benadrukt dat de cijfers uiteenlopen en niet onafhankelijk zijn geverifieerd. Wel staat vast dat repressie en geweld een terugkerend element vormen tijdens de onrust.
Naast steunbetuigingen klinkt ook kritiek op de terughoudendheid binnen Europa. Sommige politici vinden dat diplomatieke stilte niet langer volstaat en pleiten voor strengere maatregelen tegen het Iraanse regime. Zo heeft Commissievoorzitter Ursula von der Leyen afgelopen week (tijdens een rondreis door het Midden-Oosten) er nauwelijks iets over gezegd.
Wat ontbreekt, is een eenduidig en eensluidend Europees optreden. Niet alle leiders hebben zich publiekelijk uitgesproken, ondanks de aanhoudende onrust. Daarmee blijft onduidelijk hoe ver Europa bereid is te gaan in reactie op de gebeurtenissen in Iran. Dat kan alsnog duidelijk worden in de week van 19 januari, wanneer het Europees Parlement in Straatsburg vergadert.

