Dat blijkt uit een onderzoek van de Algemene Rekenkamer naar de ruim duizend ‘geschillen’ tussen Nederland en de EU tussen 2010 en 2020.
In die periode werden door Brussel-zelf en door binnen- en buitenlandse organisaties en personen ruim duizend klachten tegen Nederland ingediend. Nederland zit in vergelijking met andere EU-landen ongeveer in de middenmoot als het gaat om incorrecte en niet-volledige uitvoering van EU-wetten.
In twee derde van alle gevallen het mondeling ambtelijk voor-overleg ertoe dat Nederland de Haagse regels alsnog aanpast of dat Brussel alsnog de Nederlandse uitleg accepteert.
De Europese Commissie achtte na het vooroverleg uiteindelijk 164 klachten gegrond genoeg en ging daarover het formele gesprek met Nederland aan. Meestal ging dat over milieukwesties, energiebeleid of mobiliteit en transport. Bijvoorbeeld omdat Nederland de doelstelling voor energie uit hernieuwbare bronnen niet haalt. Dat is opgelost doordat Nederland op papier Deense hernieuwbare energie koopt.
Volgens de Rekenkamer worden veel kwesties weliswaar vaak vroegtijdig opgelost, maar trekken Haagse ministeries er weinig lessen uit en doen ze weinig aan inhoudelijke afstemming. Hoe in Nederland schendingen van EU-recht ontstaan, wordt door de ministers zelden geëvalueerd.
Ook wijst de Rekenkamer erop dat alleen de kwesties die tot een proces leiden aan de Tweede Kamer worden gemeld, maar dat alle ‘opgeloste’ geschillen onvermeld blijven.
Tussen 2010 en 2020 is de Europese Commissie uiteindelijk 67 keer daadwerkelijk overgegaan tot een inbreukprocedure tegen Nederland. In 24 gevallen betrof het kwesties met de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Het gaat om uiteenlopende kwesties, zoals de Kaderrichtlijn Water en het niet-correct invoeren van het Europees aanhoudingsbevel. De kwestie rond de PAS-regeling is ontstaan omdat Nederlands beleid conflicteerde met de sinds 1994 bestaande EU-habitatrichtlijn.

