De weerstand onder de meeste Britten tegen de Europese Unie dateert niet van de laatste tientallen jaren, en is niet een verklaarbaar gevolg van onbegrijpelijke of zeer omstreden ondemocratische of anti-Britse EU-maatregelen. Het feit dat miljoenen doorgaans redelijk nadenkende Britten deze week op een politieke partij stemt die ervoor pleit om úit de EU te stappen, is voor continentale Europeanen misschien het best te verklaren met behulp van het meestal onderbelichte ‘eilandgevoel’.
Eeuwenlang konden de landen van het Verenigd Koninkrijk het af zónder het Europese vasteland: ze hadden hun eigen regering, hun eigen kerk, hun eigen leger, hun eigen munt, ze konden zónder die andere landen. Bovendien zijn veel Britten op hun geografisch afgezonderde en moeilijk bereikbare eiland(en) een tikkeltje nationalistisch, eigengereid.
Die attitude valt voor continentale Europeanen het best te vergelijken met de mentaliteit op andere Europese eilanden waar de bevolking ook niet zo veel moet hebben ‘van die lieden op de vaste wal die ons komen vertellen wat wij moeten doen, en er ook nog met onze belastingcenten vandoor gaan.’
Sicilië heeft een eigen maffiaregering, en ook Sardinië kan wel zonder Rome; Corsica kent ook een afscheidingsbeweging; de Canarische Eilanden hebben een eigen parlement; Ibiza en Mallorca idem dit. Veel inwoners van Kreta zijn nog nooit in Griekenland geweest (dat land bestáát uit eilanden; vandaar ook geen stevig nationaal bestuur). Groenland kan wel zonder Denemarken.
Wonen-en-leven op een eiland heeft z ‘n charmes, maar ook z’n nadelen. Het kweekt een ‘wij horen bij elkaar’-gevoel, ons-kent-ons, saamhorigheid, wij kennen elkaar, wij hebben iets onafwendbaars gemeenschappelijk. En des te groter het eiland, des te meer eigen voorzieningen de bewoners in stand kunnen houden (voortgezet onderwijs, ziekenhuizen, spoorwegen, politiekorps en noem maar op). Daarom wilden de Ieren op hun Ierse eiland ook onafhankelijk worden.
De Franse en Nederlandse Antilleneilanden zéggen dat ze het best zonder Parijs en Den Haag af kunnen en willen hun eigen boontjes zoveel mogelijk zelf doppen. Op veel kleine eilanden leeft weliswaar dat ‘wij horen bij elkaar’-gevoel, maar ook het besef dat ze die ‘overkant’ nog nodig hebben, niet alleen voor auto-rijlessen en een rijbewijs maar ook voor een ziekenhuisbevalling of rijkssteun voor nieuwe riolering. Ook als die overkant aan de andere kant van de wereld ligt.
Voor continentale Europeanen heeft zich de afgelopen tientallen jaren een tegenovergestelde ontwikkeling voorgedaan: hun mobiliteit werd groter, de vakanties werden langer en de afstanden werden kleiner. Ook de handel werd steeds grens-overschrijdender. Een Zwitser kan in één dag autorijden naar Denemarken of Spanje; een Hongaar in één dag naar Polen of Frankrijk; een Nederlander naar Oostenrijk of Engeland. Bewoners van Brittanica kennen dat gevoel niet, en hebben die ervaring niet.
Dat Groot-Brittannië in 1974 besloot zich alsnog aan te sluiten bij de twaalf landen van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) was geen doorleefde keus voor een Brits nationaal onderdeel van die landengroep, maar uitsluitend een aansluiting bij een economisch-financieel win-model. De meeste van die twaalf landen waren al goede buren: Nederland, België, de Spaanse Costa Brava en de Geallieerde Fransen en Duitsers. De EEG had z’n nut bewezen, en de Britse economie begon achterop te lopen.
Dat die EEG van 12 landen werden uitgebreid naar die EU van zestien landen, was voor die continentale landen logisch, en eigenlijk alleen maar een aanpassing aan de al bestaande dagelijkse praktijk. Een single market zou ook voordelen bieden voor Britse bedrijven. Dat die zestien begonnen ook na te denken over paspoort-vrije zones (Schengen), was meer dan verklaarbaar. Maar al die continentale logica en argumenten gingen amper op voor de meeste Britten: zij kwamen niet op het vasteland. Daar hadden ze bijna niets te zoeken; ze hadden alles zelf al.
Toen vervolgens in 1989 de Berlijnse Muur viel, en Oost-Europese landen hun eigen weg konden kiezen en bij de EU aanklopten, was het een continentale logica om die landen toe te laten ( ‘de hereniging van Europa’). Voor veel Britten leidde het Europese project van 12 via 16 naar 26 landen leidde, met evenveel rechten en zeggenschap voor iedereen, tot een gevoel van nationaal verlies. En dus zeggen veel weldenkende Britten dat ze kunnen beredeneren waarom hun land zich beter uit die EU kan terugtrekken.
Donderdag kunnen ze naar de stembus. Eigenlijk zijn er maar drie smaken: zo snel mogelijk rücksichtloos uit de EU stappen, later gefaseerd op kleinere schaal uitstappen, of toch maar in de EU blijven.

