Hoewel er iets minder biologisch wordt geproduceerd, is er sprake van de grootste biologische export ooit, meldt Landbrug & Fødeverer.
De belangrijkste Deense exportgoederen zijn nog steeds zuivelproducten en vlees. Daarnaast zijn er in 2023 ook groenten en fruit en eieren geëxporteerd. Verder wordt door L&F gemeld dat de export van biologische dranken – vooral plantaardige dranken – met 39 procent is gestegen.
De belangrijkste exportmarkten waren, naast Duitsland, Zweden en Nederland, verre markten als China en de VS. Naar de grootste markt, Duitsland, werden biologische producten ter waarde van 1,7 miljard DKK geëxporteerd, bijna de helft van de totale export
Het aandeel biologische landbouwbedrijven en het biologisch areaal is vorig jaar in Denemarken opnieuw afgenomen. Het totale biologische gebied kromp van 11,7% naar 11,4% van het productiegebied, terwijl het aantal biologische bedrijven ook voor het tweede jaar op rij daalde.
Deze ontwikkeling wordt door de biologische sector zorgwekkend genoemd, juist nu de Deense overheid ambitieuze doelstellingen heeft gesteld om de biologische productie tegen het jaar 2030 te verdubbelen. De achteruitgang van de biologische landbouw is symptomatisch voor bredere ecologische problemen in Denemarken.
Het land kampt met een verslechtering van de kwaliteit van de natuur, waarbij vooral het water in de vele fjorden zwaar lijdt onder stikstofvervuiling. Het water in vrijwel alle kustgebieden verkeert in een slechte ecologische staat door de uitspoeling van stikstof. Wetenschappers stellen dat de landbouw een belangrijke veroorzaker is van deze problemen. Denemarken zal waarschijnlijk (net als Nederland) in 2027 niet kunnen voldoen aan aangescherpte Europese waterkwaliteitsnormen.
Deze situatie heeft geleid tot een groeiend bewustzijn in de Deense politiek en brede lagen van de samenleving dat dringende actie nodig is om natuur, milieu en klimaat te beschermen. Dit heeft onlangs geresulteerd in een baanbrekend landbouwakkoord, waarin onder meer de invoering van een CO2-belasting voor landbouw en veehouderij is opgenomen (die bestaat al voor de industrie).
Opvallend is dat zelfs de meeste nationale agrarische koepelorganisaties instemden met het inkrimpen van het landbouwgebied met zo’n tien procent, en met grootschalige bebossing van vrijkomende landfbouwgronden. Het recente Deense tripartiete landbouwakkoord, waarbij boeren, overheid, bedrijfsleven en milieuorganisaties gezamenlijk tot een agrarische toekomstvisie kwamen, wordt internationaal geprezen als voorbeeld van effectieve samenwerking.
Denemarken kent net als Nederland een intensieve landbouwsector, een grote afhankelijkheid van voedselexport en nog steeds een groot stikstofprobleem. Hoewel Nederland iets minder landbouwgrond heeft (ruim de helft van het landoppervlak, tegen bijna twee derde in Denemarken), zijn de uitdagingen in beide landen vergelijkbaar: slechte waterkwaliteit en grote druk op de kwaliteit van natuurgebieden.
Waar in Nederland boerenprotesten jarenlang de stikstofdiscussies domineerden en blokkeerden, is er in Denemarken tot nu toe relatief weinig verzet geweest tegen een gefaseerde transitie in de landbouw.

