Volgens een jaaroverzicht van het DBV daalt het aantal personeelsleden jaarlijks met ongeveer één procent, net als het aantal agrarische bedrijven. Daardoor liggen die aantallen sinds 2010 ruim dertien procent lager.
Als gevolg hiervan bleef het gemiddelde aantal van 3,6 werknemers per bedrijf vrijwel stabiel. Het aantal werknemers per 100 hectare landbouwgrond is de afgelopen tien jaar echter gedaald van 6,6 werknemer naar 5,6. Belangrijkste oorzaken zijn de schaalvergroting en verdere technologische vooruitgang. Ook de terugdringing van de veehouderij in Duitsland speelt een rol.
Er zijn wel grote verschillen tussen de verscheidene Duitse deelstaten. De bandbreedte ligt tussen een personeelsbestand van 1,2 per 100 hectare in Mecklenburg-Vorpommern en Saksen-Anhalt en 4,7 in het bijzonder gewas-intensieve Rijnland-Palts.
In de Duitse landbouw wordt het meeste werk op familiebedrijven gedaan door de boer en zijn gezins- en familieleden. In 2020 was dat 46% ( 434.400 van de 937.900). Er zijn ook 228.900 werknemers in vaste dienst en daarnaast nog eens ongeveer 274.700 seizoenarbeiders. De laatste tien jaar is er wel sprake van een verschuiving van familiepersoneel naar ingehuurd personeel van buiten.
Bijna een derde (29%) van het personeel in de Duitse landbouw bestaat uit buitenlandse seizoenarbeiders. Het gaat om werknemers die korter dan zes maanden in dienst zijn. Ze worden voornamelijk ingezet als oogsthulpen. Hun aandeel varieert tussen 11% in Saarland en 50% in Rijnland-Palts.
Het aantal seizoenswerkers uit Polen is de afgelopen jaren afgenomen, terwijl het aantal werknemers uit Roemenië aanzienlijk is toegenomen.
Ongeveer 70% komt uit Roemenië, 25% uit Polen en de rest uit andere Oost-Europese landen (voornamelijk Bulgarije, de Baltische staten en Oekraïne).

