De veestapel in de Europese Unie is de afgelopen twintig jaar met een kleine negen procent afgenomen. Dat blijkt uit recente cijfers over de Europese voedselketen.Tussen 2001 en 2020 is de totale veestapel voor varkens, runderen, schapen en geiten in de EU met naar schatting 8,9% gedaald.
De grootste daling werd opgetekend voor schapen. De afname van het aantal varkens was relatief bescheiden.In 2020 waren er 146 miljoen stuks varkens, 76 miljoen stuks runderen en naar schatting 75 miljoen schapen en geiten op boerderijen in de EU. Een meerderheid van de veestapel wordt gehouden in slechts enkele EU-lidstaten.
Ongeveer een kwart (23,3%) van de runderen werd aangetroffen in Frankrijk. In Spanje werd een kwart van de varkens (22,4%) en schapen (24,8%) van de EU-populaties gehouden. Griekenland (28,8%) en Spanje (21,4%) waren samen goed voor meer dan de helft van alle geiten.
De veedichtheidsindex wordt berekend als de voorraad dieren per hectare cultuurgrond. Op basis hiervan werden in 2016 de hoogste veedichtheden van de geregistreerd in Nederland (3,8 grootvee-eenheden per hectare cultuurgrond), Malta (2,9) en België (2,8). Daarentegen was de veehouderij relatief extensief in de Oostzeelanden en in Bulgarije, met minder dan 0,30 grootvee-eenheden per hectare.
Sommige EU-landen zijn gespecialiseerd op het gebied van veehouderij. Ierland was bijvoorbeeld vorig jaar goed voor 8,5% van de runderen (bijna hetzelfde niveau als in Spanje), terwijl Denemarken 9,2% van de EU-varkens voor zijn rekening nam (bijna hetzelfde niveau als in Frankrijk).
Er zijn ook grote verschillend per boerderij per land. Veehouderijbedrijven in Denemarken (200 grootvee per bedrijf), Nederland (185) en België (148) waren opnieuw bijzonder groot. Aan de andere kant waren er minder dan 10 dieren per veehouderijbedrijf in Hongarije, Slovenië, Litouwen, Griekenland, Kroatië, Bulgarije en Roemenië.

